Madoff, Bernard

Bernard Madoff

Tot 11 december 2008 was Bernard Lawrence Madoff (1938) een vrijwel onbekende naam bij het grote publiek. Dat veranderde op slag toen hij die dag werd opgepakt, nadat zijn zoons Andrew en Mark aangifte tegen hem hadden gedaan wegens oplichting voor een bedrag van zeker 50 miljard dollar. Madoff was thuis in zijn appartement aan de Upper East Side en niet op Long Island, in Palm Beach of Cap d’Antibes, waar hij en z’n vrouw Ruth ook riante villa’s bezaten.
Op aanraden van zijn advocaat had hij voor de aangifte door zijn zoons gekozen om uit een staatsgevangenis te blijven. De FBI zou hem arresteren en zo zou hij in aanmerking komen voor borgtocht en mogelijk huisarrest. In maart 2009 verklaarde hij zich voor de rechtbank aan Pearl Street 500 schuldig. Hij wilde geen openbaar proces en wilde niemand anders beschuldigen. Hij zou geen medewerking verlenen aan de aanklagers en niet onderhandelen over een lagere straf dan de 150 jaar waartoe hij kon worden veroordeeld. Hij gaf een korte verklaring, waarin hij aangaf het hem toevertrouwde geld nooit te hebben belegd, maar ging verder niet in op bijzonderheden. Zo zouden veel vragen onbeantwoord blijven: Waar was het geld van de 4.000 cliënten gebleven? Hoe kon het toezichthouders als de SEC en FINRA zijn ontgaan dat één persoon bezig was met de grootste ponzifraude in de geschiedenis? Waarom zou een icoon van Wall Street zoveel mensen beroven van miljarden dollars? Waarom zetten Madoffs beleggers al hun geld op één paard? Wie hielp(en) hem?

Onder effectenmakelaars hoorde Bernard Madoff bij de heel grote jongens. Bernard en zijn broer Peter – die in 1970 bij BLMIS was komen werken – waren erin geslaagd om naast de NYSE en ASE een onbekende beurs op de kaart te zetten door de handel via computers te introduceren, de NASDAQ. In de jaren ’60 en ’70 vond de handel op Wall Street plaats in persoon of aan de telefoon en werd alles op papier vastgelegd. Het uitvoeren van eenvoudige aandelentransacties duurde vaak weken. In die tijd waren de beurzen op woensdag gesloten om al het papierwerk van de hele week af te wikkelen. Madoff omarmde al vroeg het gebruik van computers en zo kon het gebeuren dat hij voor de vermogende Carl Shapiro – rijk geworden in de kledingindustrie – in ‘slechts’ enkele dagen tijd transacties uitvoerde. Anderen uit de kring van Shapiro stonden in de rij om zaken te doen met Madoff.

Madoff was begin jaren ’70 één van de eerste vijf gebruikers van het Automated Quatation systeem van de National Association of Securities Dealers (NASD), waarbij hij zich pas in 1979 aansloot. Zelf wekte hij (later) de indruk dat hij de Nasdaq had uitgevonden, maar dat was Gordon Macklin. Madoff speelde handig in op de wens van de toezichthouders om het beursmonopolie te breken en meer concurrentie en liquiditeit te introduceren. Hij was geen lid van de NYSE en dus niet gehouden aan Rule 390, die bepaalde dat leden geen market maker konden zijn buiten de beurs voor aan de NYSE genoteerde bedrijven. Zo kon hij als market maker handelsvolume afsnoepen van de NYSE en AMEX en handelde ook in die fondsen op andere regeionale beurzen, zoals die van Cincinnati. De afwikkeling met computers verlaagde de kosten aanzienlijk. Om zijn handelsvolume verder te vergroten, introduceerde Madoff later ook nog een korting van 1 dollarcent per aandeel. Een mechanisme dat vaste prik zou worden op Wall Street. Madoffs band met de SEC was in de jaren ’70 erg innig geworden. Hij adviseerde over het doorvoeren van een nationaal marktstelsel en nieuwe toezichtsmaatregelen. Ook zat hij in  de handelscommissie van de invloedrijke Securities Industry Association en was de vraagbaak als het over marktstructuur ging.

In 1980 sloot de sinds 1885 bestaande Cincinnati Stock Exchange haar beursvloer, waarna Madoff de vergunning overnam en er de eerste ‘virtuele’ aandelenbeurs van maakte. Door het systeem zelf ook te gebruiken werd Madoff lid van een beurs en dat gaf hem toegang tot de voorloper van internet in de financiële sector, het Intermarket Trading System, dat hij enkele jaren daarvoor had helpen ontwikkelen. In 1989 wikkelde BLMIS meer dan 5% van het handelsvolume af van aan de NYSE genoteerde aandelen, zonder ook maar lid te zijn van deze beurs. In de jaren rond de millenniumwisseling groeiden Madoffs activiteiten aanzienlijk en vertrekkende medewerkers konden makkelijk terecht bij bekende hedgefondsen en vermogensbeheerders.

In de schaduw van BLMIS runde Madoff een tweede bedrijfje, eigenlijk een soort adviespraktijk waarmee hij belegde, althans zei dat te doen. Geholpen door z’n schoonvader Sol Alpern en diens administratiekantoor belegde hij voor vrienden en bekenden uit de Joodse gemeenschap van New York, die hij ook trof op vakanties in de Catskills. Ook twee medewerkers bij het kantoor Alpern & Heller, die het kantoor in 1974 overnamen van Sol Alpern, brachten nieuwe cliënten aan, gelokt door de hoge jaarlijkse rendementen tot 20%. Avellino en Bienes verdienden er in de jaren ’80 zo’n 10 miljoen dollar per jaar mee. De twee mannen vroegen zich nooit af hoe hij zijn rendementen behaalde. Sol Alpern had Bienes verzekerd dat de financiële sector zo streng gereguleerd was, dat hij zich geen zorgen hoefde te maken.


Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Verplichte velden zijn gemarkeerd met *