
Waar hij in april 2017 de dans nog ontsprong, werd de voormalig premier van Pakistan dit jaar niet één keer, maar twee keer veroordeeld in corruptiezaken. In juli 2018 kon hij onvoldoende uitleg geven over het geld waarmee hij luxe appartementen in Londen had gekocht, die – zo bleek uit de Panama Papers – op naam stonden van zijn kinderen. Dat leverde hem 10 jaar celstraf op en een levenslang bestuursverbod. Eind december werd Nawaz Sharif opnieuw veroordeeld, nu tot een gevangenisstraf van 7 jaar en een boete van 25 miljoen dollar.
Deze keer kon hij niet aannemelijk maken hoe hij, met het door hem opgegeven inkomen, voor de aanschaf van de Al-Azizia staalfabriek in Saoedi-Arabië zou hebben betaald. Sharif (1949) zei de gevangenis te betreden met een schoon geweten; nooit had hij misbruik gemaakt van zijn positie of was hij betrokken bij corruptie. Het betrof naar zijn zeggen een politiek proces, waarvan hij de uitkomst zou aanvechten bij het Hogerechtshof in Islamabad. Buiten de rechtbank betuigde een grote schare aanhangers van zijn Pakistan Muslim League-Nawaz (PML-N) steun aan de gewezen partijleider.
In een derde corruptiezaak – Flagship Investments – werd Sharif vrijgesproken, maar daartegen ging het National Accountability Bureau (NAB) in beroep. De vrijspraak was het gevolg van het niet verschijnen van zijn zoons als getuigen. Hassan en Hussain beschouwden zich – kinderen van de drievoudig premier – niet als Pakistaanse burgers en bleven weg. In deze zaak betrof het meer dan vijftien offshore bedrijven in het Verenigd Koninkrijk, de Verenigde Arabische Emiraten en de Britse Maagdeneilanden, die Sharif en/of zijn zoons al dan niet gebruikt zouden hebben om geld uit Pakistan weg te sluizen.
bron: OCCRP (Haroon Janjua), NDTV, Pakistan Today, Pakistan Observer (Salim Ahmed), BBC (M. Ilyas Khan)