Onderzoek

Meer psychopaten onder senior managers

Bij de verklaring van witteboordencriminaliteit in de hoogste regionen neemt het onderzoek naar persoonlijkheidskenmerken van psychopaten, narcisten en machiavellisten een prominente plek in. Dergelijke personen doen het vaak goed in organisaties en bezetten vaak hoge leiderschapsposities. Dat is nog geen bewijs voor een causaal verband, want vaak blijken deze mensen tegelijk ook nieuwsgierig, extravert en zelfverzekerd te zijn en open te staan voor nieuwe ervaringen. Eigenschappen die ook bij kunnen dragen aan het verwerven van een (hoge) bestuurlijke functie.

psychopaten onder senior managersAlgemeen wordt Robert Hare beschouwd als grondlegger van het onderzoek naar de ‘corporate psychopath‘. Hij is expert op het gebied van criminele psychologie en hoogleraar aan de University of British Columbia. Al in de jaren ’80 van de vorige eeuw ontwikkelde hij een checklist waarmee klinische psychopathie – de gevaarlijke gekken – kon worden aangetoond op basis van eigenschappen zoals oppervlakkige charme, grote risico’s nemen, weinig zelfinzicht, zelfingenomenheid, liegen en manipuleren. Ook gebrek aan gevoelens van schuld en spijt, een oppervlakkig gevoelsleven, impulsiviteit, onverantwoordelijkheid en sensatiezucht horen in dat rijtje. Samen met Paul Babiak schreef hij ‘Snakes in Suits: When Psychopaths Go To Work’. In dit boek wezen de twee al op het succes dat ‘corporate psychopaths’ kunnen hebben in ‘een snelle omgeving met hoge risico’s en ook hoge winsten. Ze liegen makkelijk, hebben verontrustend weinig empathie en nemen absoluut geen verantwoordelijkheid. De schuld ligt altijd extern,’ zo verklaarden de twee experts. 

De Britse onderzoeker Clive Boddy meende op zijn beurt dat de financiële crisis zeer gunstig was voor mensen met psychopatische trekjes, omdat die hun carrière een boost gaf. De onzekerheid van de crisis, de noodzaak voor leiders om harde beslissingen te nemen en de risico’s die met moeilijke besluiten gepaard gingen, speelden volgens hem corporate psychopaten in de kaart. De publicatie van Boddy sloot naadloos aan op een onderzoek van Hare uit 2010, waarin deze opmerkte dat onder senior managers 4 procent psychopathische trekjes vertonen, vergeleken met normaal gesproken 1 procent in de samenleving.

Uit onderzoek van Laurijssen, Wisse en Sanders in 2014 kwam naar voren dat psychopate leiders destructief verdrag vertonen; bewust gedrag door leiders dat in potentie of opzettelijk de organisatie en/of werknemers schaadt. Denk hierbij aan leiderschapsgedragingen zoals het harteloos negeren van behoeftes en wensen van anderen, de neiging om te pesten op het werk, te liegen en zonder meer anderen te schaden dan wel het welzijn van anderen aan te tasten. Destructieve leiders zijn dominant, dwingend en manipulatief en staan in dienst van hun gerichtheid op zelfverrijking.

Ook wees hun onderzoek uit dat het destructieve leiderschapsgedrag van corporate psychopaten tot op zekere hoogte kan worden ingedamd. Zij constateerden drie omgevingsfactoren, die helpen om het negatieve gedrag van psychopathische leiders in organisaties in te dammen: duidelijke regels, vergrote zichtbaarheid van het gedrag en sancties ingeval van misdragingen.

Laurijssen schat dat psychopaten ongunstig zijn voor een bedrijf. Ze gaan voor het rendement op de korte termijn en hun eigen gewin en zijn in staat een bedrijf te gronde te richten. Hun gedrag blijft vaak lang ongezien. Want hoe hoger in de hiërarchie, hoe minder iemand wordt gecontroleerd. En als de schade duidelijk wordt, zijn ze dankzij hun grote netwerk vaak alweer vertrokken en blijkt dan pas dat er al langer problemen waren. 
Buddy weet dit ook aan minder inzicht in de persoonlijkheid van medewerkers met de afnemende lifetime employment. ‘Vroeger werkte je twintig tot dertig jaar in een bedrijf en wisten mensen wel hoe je in elkaar stak. Nu hoppen mensen elke twee tot drie jaar van baan naar baan en heb je veel minder inzicht in hun persoonlijkheid.’

bron: NHD (Patricia van der Zalm), Management Team (Lilian Polderman), HRM Expertise Center (Maxime Laurijssen)

EC publiceert eerste anti-corruptie rapport

Begin februari 2014 presenteerde de Europese Commissie haar eerste onderzoeksrapport over corruptie binnen de EU.  In grote lijnen bevestigde het de uitkomsten van eerdere onderzoeken: in bepaalde bedrijfssectoren doet het zich meer voor, er zijn ‘bekende’ verschillen tussen lidstaten en de omvang wordt geschat op meer dan 100 miljard euro per jaar. Veel minder dus dan de ruim 320 miljard uit het onderzoek dat begin april 2013 werd gepubliceerd door de Hertie School of Governance in Berlijn en de Bertelsmann Stichting.

Het onderzoek liet zien dat een meerderheid van de Europeanen (76%) van mening was, dat corruptie een wijdverbreid fenomeen is in hun eigen land. Van de Nederlanders vond 61% dat corruptie hier op grote schaal voorkomt, aanzienlijk minder dan in Griekenland (99%), Italië (97%), Spanje, Litouwen en Tsjechië (95%). Op de vraag of de corruptie was toegenomen in de afgelopen drie jaar, antwoordde ruim de helft (56%) met ‘ja’.
Dat weerspiegelt de bevindingen van de corruptie-index van Transparancy International. Daarin scoort Griekenland als slechtste, terwijl Denemarken als het minst corrupte EU-land wordt gezien.

Nederlandse ondernemers bleken aanzienlijk positiever over hun overheid dan hun buitenlandse collega’s. Zo meende 26% van de Nederlandse ondernemers, dat succesvol zakendoen alleen mogelijk is met de juiste politieke connecties, terwijl in het Europese bedrijfsleven gemiddeld 47% die mening was toegedaan.

Cecilia Malmström

Cecilia Malmström

Eurocommissaris Cecilia Malmström lichtte de resultaten toe en benadrukte dat corruptie z’n uitwerking heeft in en op alle lidstaten: “er bestaat niet zoiets als een corruptie-vrije zone.” Hoewel er de laatste jaren veel initiatieven werden ontplooid, werd eveneens geconstateerd dat de resultaten nog te wensen over lieten. Ook een overtuigde politieke wil om corruptie te bestrijden leek (nog steeds) te ontbreken.

Nederland zou in de ogen van de Commissie beperkingen moeten opleggen aan de banen, die ministers en Tweede Kamerleden na hun vertrek uit de politiek kunnen aannemen om corruptie en belangenverstrengeling te voorkomen. Ongewenste situaties zouden kunnen ontstaan als een minister na zijn vertrek een hoge positie gaat bekleden in een sector waarvoor hij eerder politiek verantwoordelijk was. De Commissie wees op oud-verkeersminister Eurlings (CDA), die na zijn vertrek de baas werd bij KLM. Ook voor Kamerleden bestaan geen beperkingen in de functies die ze na hun politieke loopbaan kunnen bekleden.

Deze ‘revolving door‘ bestaat in Brussel echter evenzeer, betoogden organisaties als Transparency International en ALTER-EU. Ook Eurocommissarissen en hun ambtenaren komen regelmatig terecht in functies bij bedrijven, die actief zijn op hun voormalige werkterrein. Zij vonden het een gemiste kans, dat het onderzoek geen betrekking had op mogelijke corruptie bij de Europese instellingen zelf.

Als ander verbeterpunt voor ons land noemde de Commissie de aanpak van buitenlandse omkoping, eveneens genoemd in het Phase 3 Report on implementing the OECD anti-bribery convention in the Netherlands uit december 2012. Nederland zou zich meer moeten richten op vervolging van grensoverschrijdende corruptie in handelstransacties. Daarvoor zou om te beginnen de bekendheid van anti-corruptie wetgeving bij ondernemers fors verhoogd mogen worden, zoals uit recent onderzoek van BDO bleek. Slechts vier op de tien bedrijven was bijvoorbeeld op de hoogte van de preventieve maatregelen die volgens de Bribery Act (UK) op orden moeten zijn.

bron: EC, Volkskrant (Marc Peeperkorn), NOS, NRC, TI NL, Nieuwsblad.be (Jorn van Thillo)

Kartelvormende bedrijven vertonen gemeenschappelijke kenmerken

In een recente studie onderzochten drie economen de financiële rapportages en de governance van ruim 200 Amerikaanse bedrijven die tussen 1986 en 2010 zijn beschuldigd van deelname aan prijskartels. In hun working paper beschrijven Tanja Artiga González, Markus Schmid (beiden van het Swiss Institute of Banking and Finance) en David Yermack (van de Stern School of Business, NY) diverse verklarende kenmerken die dergelijke bedrijven gemeenschappelijk bleken te hebben.

Er bestaan volgens hen verschillende indicatoren die beleggers, maar ook toezichthouders er op kunnen wijzen dat er een verhoogd risico is op kartelgedragingen bij dergelijke bedrijven. Zo ontdekten zij dat bedrijven, die deel uitmaken van een kartel:

  • meer gebruik maken van externe bestuurders. Die nemen veelal minder deel aan vergaderingen, moeten hun tijd verdelen over meerdere bestuursfuncties of wonen in het buitenland,
  • minder vaak bestuurders vervangen die opstappen. Nieuwe topmensen – ook de CEO – komen bij voorkeur uit de eigen gelederen,
  • zelden van accountant wisselen. Een frisse kijk op de cijfers of een grondig boekenonderzoek is nergens goed voor,
  • managers hebben die hun aandelenopties sneller verzilveren dan bij andere bedrijven. In de wetenschap dat kartels niet eeuwig stand houden, verkopen zij hun aandelen voordat de markt lucht krijgt van de prijsafspraken,
  • veel geld geven aan campagnes aan weerszijden van het politieke spectrum. Zo kopen ze goodwill en bouwen ze een stevige lobby-positie op,
  • veel vaker dan andere bedrijven hun financiële cijfers herzien, vaag zijn over de inkomstenontwikkeling en regelmatig hun activiteiten anders groeperen om vergelijking van cijfers te bemoeilijken.

Bristol-Myers Squibb

Als voorbeeld werd het farmaceutische bedrijf Bristol-Myers Squibb genomen. Dat scoorde op de meeste van bovenstaande punten en maakte schoon schip kort voor het in 2006 schuld bekende aan kartelvorming. Er kwam een nieuwe CEO van buiten, PricewaterhouseCoopers werd vervangen door Deloitte & Touche en een voormalige rechter werd aangesteld als onafhankelijke bestuurder.

bron: De Tijd (Daan Ballegeer), NBER

:: advertentie ::

Schade witteboordencriminaliteit onderbelicht in media

Wat opvalt bij berichtgeving in de media over fraude en andere vormen van witteboordencriminaliteit, is dat veelal niet ‘het slachtoffer’ maar ‘de verdachte’ centraal staat. Er is vaak niet één slachtoffer, met wiens leed het publiek zich kan identificeren. Meestal is er sprake van massaschade, waarbij zeer veel slachtoffers elk geringe schade hebben ondervonden.

Dit stelden de auteurs J.J.H. Beckers en J.G. van Erp in het artikel ‘Mediaberichtgeving over witteboordencriminaliteit: ‘There’s no such thing as bad publicity’’ in het Tijdschrift voor Toezicht van januari 2012, volgend op de veroordelingen in de vastgoedfraude eind september 2011.

Het was hen opgevallen dat het taalgebruik in de toelichting op de forse strafeis deze keer niet doortrokken was van juridisch vakjargon, maar meer weg had van ‘Jip-en-Janneke-taal’. Het Functioneel Parket wilde over de hoofden van de verdachten vooral ook de samenleving aanspreken. Met andere woorden: met behulp van het strafrecht werd een maatschappelijk probleem (de ‘graaicultuur’ in het bedrijfsleven) publiekelijk aangekaart.

Mediaframes

Met hun berichtgeving kennen de media betekenis toe aan gebeurtenissen en beïnvloeden ze de publieke opinie ten aanzien van criminaliteit en maatschappelijke schade. Verdachten kunnen daarbij over het algemeen vrijuit spreken in de media, terwijl justitie aan strikte voorwaarden is gebonden om een trial by media te voorkomen. De media reproduceren niet simpelweg justitiële uitspraken, maar selecteren, definiëren, interpreteren, kortom framen het nieuws, vervolgen Beckers en Van Erp. In hun artikel behandelen ze vervolgens drie standaardframes, die de media hanteren bij de berichtgeving over witteboordencriminaliteit:

  1. het ‘hoogmoed komt voor de val’-perspectief: de fraude wordt teruggebracht tot een verhaal over individuele hebzucht, ijdelheid en hoogmoed. Het resulteert vaak in een versimpelde weergave van vaak complexe zaken. Het herbevestigt waarden als integriteit, bescheidenheid en sociale verantwoordelijkheid, maar draagt vaak weinig bij aan het veranderen of aanscherpen van de waarden of percepties ten aanzien van de dieperliggende oorzaken van schadelijk ondernemingsgedrag.
  2. Madoff & Ruth aan boord

    Bernie & Ruth Madoff aan boord

    het ‘luxe en glamour’-perspectief: de glamoureuze kant van witteboordencriminaliteit staat hier centraal, zoals de hoge bonussen, de luxe goederen die worden uitgewisseld in gevallen van omkoping en de stijlvolle wereld van het bedrijfsleven waarin de ondernemers zich begaven voordat ze uit de gratie vielen. De media presenteren fraude daarmee volgens de Britse criminoloog Michael Levi meer als een glamourkwestie dan dat ze de maatschappelijke schade benadrukken. De affaire Madoff bood de media een prachtige gelegenheid om fraude te presenteren als spektakel: veel aandacht ging uit naar de vele beroemdheden in de kring van beleggers van Madoff en zijn luxe leefstijl.

  3. het ‘falend-toezicht’-perspectief: hierbij wordt publiekelijk de vraag opgeworpen hoe een bepaald delict heeft kunnen plaatsvinden of zolang heeft kunnen voortduren. In de berichtgeving wordt vooral stilgestaan bij het falend toezicht. Een falende handhaver kan voor de media een nieuwswaardiger ‘slachtoffer’ vormen dan een wetsovertredende onderneming. Dit perspectief werd gehanteerd in de berichtgeving over de bouwfraude, de brand bij het bedrijf Chemie-Pack in Moerdijk en de malversaties bij woningbouwcorporaties.

Schade door witteboordencriminaliteit

Bij specifieke zaken van witteboordencriminaliteit wordt dan misschien weinig aandacht besteed aan de veroorzaakte schade, binnen diverse categorieën is uiteraard wel onderzoek gedaan naar de omvang, zoals in het geval van faillissementsfraude, BTW-fraude en belastingontduiking. Daarbij gaat het niet alleen om de financieel-economische schade, die uiteindelijk als ‘maatschappelijke kosten’ door de gezamenlijke burgers/consumenten worden gedragen.

In een bijdrage op de site van de Stichting Maatschappij en Veiligheid behandelde Bob Hoogenboom in mei 2012 het verschil in aandacht voor criminaliteit op straat versus die in de boardroom, waarbij – in een reactie – ook de uit fraude voortvloeiende schade aan bod kwam. Hij schreef ondermeer:

Balanced books

“…. En terecht. Maar wat meer beschut, uit het zicht van het publieke oog, soms letterlijk in het schemerdonker van de corporate boardroom, worden beslissingen genomen door bankiers, fiscalisten, directeuren van woningbouwcorporaties, accountantskantoren, milieuafvalbedrijven, internetproviders en vastgoedbedrijven die de kwaliteit van ons bestaan aantasten. Er worden financiële producten op de markt gebracht die grenzen aan witteboordencriminaliteit (woekerpolissen), er wordt door accountants structureel aan creative accounting/fraudulent reporting gedaan (boekhoudschandalen), op veel markten worden prijsafspraken gemaakt waardoor wij te veel betalen voor goederen en diensten (zie lijst met opgelegde boetes door de EU en de NMA) en op grote schaal is de afgelopen jaren roekeloos geïnvesteerd. De gevolgen van een en ander zijn – ironisch genoeg – dat wij als burgers de rekening hiervoor dienen te betalen.”

“Besteden we te veel aandacht aan de zichtbare problemen en te weinig aan de (criminele) roekeloosheid in de beslotenheid van boardooms? Kijken we in het veiligheidsdebat te veel naar beneden, naar wat er op straat gebeurt? En te weinig naar boven, naar de kantoren waar dag in dag uit beslissingen worden genomen waarvan wij soms slachtoffer zijn? …”

Daarbij vulde Erik van der Maal in een reactie de negatieve effecten verder aan:

  • Klasse-justitie aspect: de daders van witteboordencriminaliteit worden minder vaak opgespoord, minder vaak vervolgd, minder vaak berecht, minder vaak veroordeeld en krijgen, als het al zover komt, vaak een lagere vrijheidsstraf dan bij traditionele criminaliteit het geval is.
  • Schade bij de slachtoffers: de burgers zijn allemaal slachtoffer van de witteboordencriminaliteit, en gemiddeld wel voor een hoger bedrag dan als gevolg van traditionele criminaliteit.
  • Behalve de financieel-economische schade ook fysieke schade: het aantal doden en gewonden als gevolg van allerlei vormen van witteboordencriminaliteit is (veel) groter dan van traditionele criminaliteit. Denk bijv. aan de vele mensen die vroegtijdig sterven als gevolg van het (uit winstmaximalisatie-oogmerk) door werkgevers niet nakomen van milieu- en veiligheidsvoorschriften (het asbestschandaal is slechts één van de vele voorbeelden).
  • Verstrengeling van onderwereld en bovenwereld; bijv. doordat de georganiseerde criminaliteit steeds meer greep krijgt op het zakenleven en de politiek.
  • Ondermijning van de samenleving: alhoewel de traditionele criminaliteit ontzettend vervelend is, kan een democratische samenleving hier mee omgaan. De enige vormen van criminaliteit die een samenleving echt te gronde kunnen richten zijn: terrorisme en witteboordencriminaliteit.

bron: Tijdschrift voor Toezicht, SMV

 

Corruptie kost EU-landen jaarlijks 323 miljard

EU-landen zijn jaarlijks ruim 320 miljard kwijt door corruptie, zo blijkt uit recent onderzoek, dat begin april 2013 door de Hertie School of Governance in Berlijn en de Bertelsmann Stichting werd gepubliceerd. Dit is aanzienlijk meer dan eerdere schattingen van rond de 100 miljard euro. Deze nieuwe schatting van de kosten van corruptie bedraagt bijna éénderde van het voorgestelde EU-budget 2014-2020.

Het onderzoek bracht een correlatie aan het licht tussen de mate van corruptie in een land en het begrotingstekort, met name zichtbaar in Griekenland en Italië. De mate van corruptie werd becijferd door Denemarken – dat als minst corrupt land werd beschouwd – als uitgangspunt te nemen en zo de nadelige effecten voor de overige landen te berekenen. Slechtst scorende landen in het rapport zijn Slowakije, Roemenië, Italië, Litouwen, Hongarije en Griekenland.

Alina Mungliu-Pippidi

Alina Mungliu-Pippidi

Volgens Alina Mungliu-Pippidi, auteur van het rapport en professor aan de Hertie School, hebben EU-instituten de kosten van corruptie tot nu toe onderschat. Volgens haar toont het onderzoek aan dat economische problemen een belangrijk gevolg van corruptie zijn, door bijvoorbeeld tekortschietende belastingopbrengsten en hogere begrotingstekorten, hield ze een gehoor van europarlementariërs voor.

De uitkomsten van het onderzoek deden ook twijfels rijzen over het veronderstelde positieve effect van EU-lidmaatschap op de omvang van corruptie in een land. Hoewel ze al langdurig lid zijn, zakken Spanje, Griekenland en Italië steeds verder in de corruptie index.

Onderzoeksrapport “The Good, the Bad and the Ugly: Controlling Corruption in the European Union” (PDF)

bron: Rai-SEE, Hertie School of Governance